zes eeuwen tussen enclave en erfgoed
Veulen, gelegen bij Heers, was sinds 1219 een Brabants leen dat juridisch tot het beroepshof van Vroenhoven behoorde en door de Vrede van Munster (1648) bij de verenigde provinciën werd ingedeeld. Dit leidde lang tot conflicten, tot aan het verdrag van Fontainebleau in 1785. Op de kaart van de Ferraris (1774-1775) is Veulen aangeduid als 'Hollandse enclave'.



vooraanstaande families
De heerlijkheid zelf, waarvan Jan van Gutschoven (+1376) de eerst vermelde heer was, werd achtereenvolgens vererfd door de families de Merode, Berlo en Argenteau.
In 1712 werd Veulen verkocht door Florimond Claude graaf de Mercy (1666-1734), veldmaarschalk in het Oostenrijkse leger, die zelf het goed had geërfd van Robert Ernest d'Argenteau (+1690), commissaris-generaal van militaire zaken in het Prinsbisdom Luik. De nieuwe eigenaar was Philippe Balthasar baron van Villers, echter niet voor lang want in 1735 kwam het goed weer in handen van Florimond Claude's adoptiefzoon Antoine Ignace Charles Auguste d'Argenteau (1692-1767). Hij plaatste de Mercy voor zijn eigen naam, bracht het tot veldmaarschalk van Maria Theresia en stierf op zijn landgoed in Hongarije.
Zijn enige zoon Florimond Claude Charles de Mercy Argenteau (1727-1794) was zijn erfgenaam; die was in diplomatieke dienst van het Oostenrijkse hof, was jarenlang zaakgelastigde aan het Franse hof en stierf op missie in Londen. Zijn testament stelde een familielid, François Joseph de Mercy Argenteau (1780-1869), als universeel erfgenaam aan. De erfenis was zeer aanzienlijk, het testament werd juridisch aangevochten en zou pas drie jaar later rechtsgeldig worden verklaard, onder meer dank zij de inzet van de familie Claes, die al van in de 17de eeuw rentmeesters leverde voor het domein in Veulen .
In 1815 wordt van Francois Joseph een profiel geschetst door de commissaris van koning Willem I, die op zoek is naar medewerkers voor zijn hof, zijn grondwet en zijn administratie. Francois Joseph de Mercy Argenteau wordt een enorm fortuin toegeschreven van 150.000 florijnen (een fameus bedrag), een hoog maatschappelijk aanzien, eerlijkheid en toewijding. Hij was ambassadeur geweest van Napoleon aan het Beierse hof en hij verenigde 'la facilité de s'exprimer et le meilleur ton'. Niet te verwonderen dus dat hij ondanks zijn 'Franse' verleden benoemd werd tot Groot Kamerheer aan het hof. In 1830 bij de creatie van België trok hij zich terug op het voorvaderlijk kasteel van Argenteau. Veulen, toen gelegen in het departement van de Nedermaas, had hij al in 1809 verkocht.
De nieuwe eigenaar was Joseph André de Donnea, ridder, handelaar en 'propriétaire' gevestigd te Luik (1772-1836). Hij behoorde tot een familie die sedert 1606 in Luik was gevestigd en bedrijvig was in de ijzerverwerking en -verhandeling. In 1836 kwam het door vijf generaties verzamelde patrimonium samen in handen van Joseph André's broer Charles de Donnea (1776-1857). Bij zijn dood in 1857 kon die elk van zijn zes kinderen een kasteel nalaten. Veulen en het voorvaderlijk hotel in Luik waren het erfdeel van zijn oudste zoon Alexis (1811-1880), die al vanaf 1836 het beheer van Veulen waarnam. De familie de Donnea heeft het kasteel 5 generaties bewoond tot het jaar 2001. De laaste eigenaar vande familie was ridder François Xavier de Donnea, die burgemeester van Brussel was (1995-2011) en minister-président van het Brussels hoofdstedelijk gewest van 2000-2003.
Het kasteel kwam in 2001 in handen van dr. Johannes Vogel, die een ingrijpende restauratie opstartte, welke in 2008 succesvol werd afgerond. In 2016 werd het domein overgedragen aan de familie van der Meer, die een tweede restauratiecampagne initieerde en er vandaag wonen en werken.
Sinds het afronden van de tweede restauratie campagne in 2023 staat het Kasteel van Veulen opnieuw stevig in het Haspengouwse landschap — als getuige van een rijk verleden én als levend erfgoed met toekomst.